spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
OOPS. Your Flash player is missing or outdated.Click here to update your player so you can see this content.


Dieetaspecten Afdrukken
Artikel index
Dieetaspecten
Pagina 2
Pagina 3
Pagina 4
Pagina 5

5. Voedingsaanpak bij de eerste symptomen van infectie bij patiënten met sommige metabole aandoeningen. 

Waarover gaat het ?

Kinderen met sommige metabole stofwisselingsziekten zoals glycogenose type Ia (een glycogeenstapelingsziekte), vetzuuroxidatiestoornissen (vb. MCAD, VLCAD), aminozuurafbraakdefecten (vb. MSUD of leucinose), organische zurendefecten (vb. methylmalonacidemie, propionacidemie, …) en ureumcyclusdefecten (vb. citrullinemie, …), hebben bij een banale verkoudheid of lichte infectie een grotere kans op extra verwikkelingen (sufheid, herhaald braken, …).

Om deze complicaties te vermijden zijn specifieke voedingsaanpassingen noodzakelijk. De bedoeling van dit artikel is u meer inzicht te verschaffen in de vereiste voedingsaanpak. Uiteraard dient uw persoonlijke situatie steeds besproken te worden met uw metabole diëtiste/arts.

Wat gebeurt er bij een infectie ?

Vaak gaat een infectie gepaard met verminderde eetlust en braakneiging waardoor een verminderde energieopname optreedt. Als reactie hierop breekt het lichaam belangrijke lichaamseigen stoffen (eiwitten en glycogeen) af om extra energie te produceren. Dit noemt men het proces van katabolisme. Bij een defect in de stofwisseling kunnen deze stoffen zich gaan opstapelen in het bloed wat tot verwikkelingen kan leiden.

Hoe pas je de voeding aan om katabolisme tegen te gaan ?

Katabolisme kan tegengegaan worden door ervoor te zorgen dat er voldoende energie wordt opgenomen via de voeding. Dit kan best gebeuren door op regelmatige tijdstippen koolhydraten (suikers) tot zich te nemen. Koolhydraten (suikers) zijn immers een belangrijke en licht verteerbare bron van energie.

Praktisch gesproken betekent dit dat de patiënt voor een korte tijd het gewone dieet zal vervangen door suikerrijke drankjes (oplossingen van glucosepolymeren). Deze moeten minstens om het uur en dag en nacht genomen worden.

De concentratie, het volume, en de frequentie van deze drankjes zijn afhankelijk van de leeftijd en het lichaamsgewicht van het kind (zie voedingsprotocol hierna). Deze voedingsrichtlijnen voorzien niet in een volwaardige voeding en mogen dus nooit langer dan enkele dagen gegeven worden.

Voedingsprotocol bij ziekte (infectie) : orale behandeling
(Bron : Dorothy Francis – Metabole diëtiste - Royal Children’s Hospital - Australia)

Leeftijd             Energie           Glucose-            Vocht                Dosis

                          behoefte         polymeer*          behoefte

                       (Cal/kg/dag)         (% oplossing)            (ml/kg/dag)            (ml/kg/uur)

0-6 maanden

110

15

183

7,7

6-12 maanden

100

15

168

7,0

1-3 jaar

90

20

110

4,5

3-6 jaar

80

25

80

3,3

6-12 jaar

65

25

65

2,6

of 6-12 jaar

65

30

54

2,25

12-15 jaar

50

30

42

1,8

>15 jaar

45

30

38

1,6

(*) : Het is belangrijk de aangegeven concentraties van de glucosepolymeeroplossing niet te overschrijden want bij hogere concentraties kunnen verteringsproblemen optreden.

Voorbeelden van koolhydraatrijke oplospoeders die momenteel via de apotheek verkrijgbaar zijn:

Glucosepolymeer

Firma

C.N.K. code

Caloreen ®

Clintec/Nestlé

1595-420

Fantomalt ®

Nutricia

0041-046

Voorbeeld

Een kleuter van 4 jaar met een gewicht van 15 kg wordt ziek.

Per dag heeft dit kind 1200 kcal (80 kcal x 15 kg) nodig.

Men kan deze energiebehoefte invullen door 1200 ml (80 ml x 15 kg) van een 25 % (25 g per 100 ml water) glucosepolymeeroplossing (vb. Caloreen®) per dag te geven.
Dit wordt bereid door bijvoorbeeld 300 g Caloreen® (25 g x 12) in 1200 ml niet–bruisend mineraal water op te lossen. 

Indien men dit over de dag moet spreiden, komt het neer op een ± 50 ml dosis (3,3 ml x 15 kg) van deze oplossing te geven per uur.

Wat bij diarree ?

Bij diarree moeten naast de koolhydraatrijke drankjes, specifieke rehydratatiemiddelen (ORS®, Soparyx®, GES 45®, Alhydrate®…) gebruikt worden om uitdroging en tekorten aan zouten te voorkomen.

Samengevat :

Het is belangrijk om bij deze patiënten reeds bij de eerste symptomen zo snel mogelijk over te schakelen op het gebruik van koolhydraatrijke drankjes. Bij aminozuurafbraakdefecten (vb MSUD) is het bovendien noodzakelijk de dosis van het specifieke aminozuurmengsel dat reeds dagelijks moet genomen worden, te verhogen.

Het goed begrijpen van deze richtlijnen en het tijdig opmerken van de eerste ziektesymptomen door iedereen uit de omgeving van de patiënt is van het grootste belang om een ziekenhuisopname zo lang mogelijk uit te stellen of zelfs te voorkomen. Die symptomen kunnen van velerlei aard zijn: een eerste keer braken, koorts, zich algemeen niet lekker voelen, buikklachten, …. Na een paar keer worden deze symptomen meestal snel genoeg herkend door de patiënt of zijn naaste familie.

Het blijft steeds noodzakelijk om uw metabole arts of diëtiste zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van de situatie. Deze kunnen dan verdere instructies geven.

 



 
< Vorige   Volgende >
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB