spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
OOPS. Your Flash player is missing or outdated.Click here to update your player so you can see this content.


Home arrow MPS I - Hurler
Mucopolysaccharidose I (MPS I) Afdrukken
Synoniemen
Alfa-L-Iduronidase Deficiëntie
Subtypen
Hurler Syndroom (MPS I-H)
Scheie Syndroom (MPS I-S)
Hurler/Scheie Syndroom (MPS I-H/S)

Waardoor wordt Mucopolysaccharidosis type I veroorzaakt?


Mucopolysaccharidosis type I (MPS I) is een zeldzame aangeboren en erfelijke aandoening die valt onder de lysosomale stapelingsziekten. Lysosomale stapelingsziekten zijn aandoeningen waarbij er, door een verandering in het erfelijk materiaal, een tekort aan een bepaald enzym aanwezig is in de lysosomen. Lysosomen zijn kleine organen (organellen) in een cel, die met behulp van enzymen zorgen voor de afbraak en het hergebruik van veel stoffen. Het ontbreken of niet volledig functioneren van een van deze enzymen zorgt ervoor dat (afval)stoffen zich opstapelen in het lysosoom. Deze opeenstapeling is giftig en bemoeilijkt daardoor het functioneren van het lysosoom, en uiteindelijk ook van de gehele cel. Dit veroorzaakt ten slotte toenemende schade in het hele lichaam, waaronder het hart, de longen, de botten en gewrichten, en de hersenen. MPS I wordt veroorzaakt door een gebrek aan activiteit van het enzym alfa-L-iduronidase. Hierdoor ontstaat stapeling van bepaalde suikers, glycosaminoglycanen, vroeger ook wel mucopolysacchariden genoemd. Deze suikers maken normaal deel uit van een beschermingslaag die om cellen heen zit. MPS I is vaak nog niet zichtbaar bij de geboorte. Klachten en verschijnselen ontwikkelen zich naarmate meer cellen worden beschadigd door de toenemende stapeling.

Welke klachten en symptomen worden gezien bij kinderen met Mucopolysaccharidosis type I?


MPS I wordt onderverdeeld in drie vormen :

* Het syndroom van Hurler is de meest ernstige en meest voorkomende vorm van MPS I. Kinderen met het syndroom van Hurler hebben vaak een normale ontwikkeling gedurende de eerste 6 maanden van het leven, alhoewel zeer milde symptomen achteraf gezien vaak al aanwezig waren. Symptomen die vaak als eerste ontstaan zijn terugkerende infecties aan de luchtwegen, een luide ademhaling en snurken, een aanhoudende loopneus, terugkerende navel- en liesbreuken en een in eerste instantie slechts mild vertraagde ontwikkeling. Op de leeftijd van 6 maanden tot en jaar verergeren de problemen en ontstaan nieuwe verschijnselen zoals een waterhoofd, hart- en longproblemen, doofheid en blindheid, een vergrote lever en milt en een toenemende achterstand in ontwikkeling. Er is daarnaast sprake van een zeer kleine lichaamslengte, kinderen ontwikkelen een sterk gekromde rug (kyfose) en krijgen last van een belemmerende stijfheid van de gewrichten met onder andere sterk gekromde vingers (klauwhanden). De verstandelijke ontwikkeling verloopt normaal tot de leeftijd van ongeveer een jaar, waarna een toenemende verstandelijke achteruitgang optreedt. De levensverwachting van kinderen met het syndroom van Hurler is aanzienlijk verkort.

* Een meest milde vorm van MPS I is het syndroom van Scheie. De verstandelijke ontwikkeling verloopt in deze patiënten normaal. Patiënten ontwikkelen echter wel lichamelijke symptomen zoals stijve gewrichten, een vergrote milt en lever, lies- en navelbreuken, een verminderd gehoor en zicht en hartproblemen. Deze symptomen komen vaak voor het eerst tot uiting vanaf de leeftijd van ongeveer vijf jaar.

* Er bestaat ook een tussenvorm van MPS I, die het syndroom van Hurler-Scheie wordt genoemd. Deze benaming wordt gebruikt voor kinderen die niet duidelijk bij een van de twee andere vormen passen. Bij patiënten met Hurler-Scheie is eveneens meestal sprake van een normale verstandelijke ontwikkeling. De ernst van de lichamelijke symptomen liggen tussen die van het syndroom van Hurler en het syndroom van Scheie.

 Alhoewel MPS I officieel vaak wordt onderverdeeld in deze drie vormen, kan dit ziektebeeld beter worden gezien als een continu spectrum, variërend van zeer ernstig (Hurler) tot mild (Scheie).
Scheie Hurler

Hoe vaak komt Mucopolysaccharidosis type I voor ?

MPS I is een zeer zeldzame aandoening en komt bij ongeveer 1 op de 100.000 pasgeborenen voor. Echter, dit is waarschijnlijk een onderschatting van het werkelijke aantal patiënten, aangezien de diagnose vermoedelijk vaak wordt gemist bij patiënten met een mildere vorm van MPS I (Scheie).

Hoe erft Mucopolysaccharidosis type I over ?

De overerving van MPS I verloopt autosomaal recessief. Dat betekent dat beide ouders drager moeten zijn wil het ziektebeeld tot uiting komen in een kind. Indien ouders beide drager zijn is de kans op een kind met MPS I 25%, de kans met een kind dat drager wordt voor de ziekte is 50%. Dragers van MPS I vertonen geen klachten of verschijnselen van de ziekte.

Hoe wordt Mucopolysaccharidosis type I aangetoond ?

Indien op grond van bovengenoemde klachten en symptomen de diagnose MPS wordt vermoed kan dmv een urinetest dit vermoeden worden versterkt. De diagnose MPS type I kan vervolgens worden bevestigd door het aantonen van een verminderde enzymactiviteit (alfa-L-iduronidase) in het bloed. Recent zijn methoden ontwikkeld voor de meting van de activiteit van het enzym via een hielprikkaart. Daarnaast kan de verandering in het erfelijke materiaal worden aangetoond door middel van DNA onderzoek. In het geval al bekend is dat beide ouders drager zijn kan de diagnose al voor de geboorte worden aangetoond door middel van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie. Al deze testen zijn over het algemeen alleen beschikbaar in gespecialiseerde centra.

Welke behandelingsmogelijkheden bestaan er voor Mucopolysaccharidosis type I?

Alhoewel MPS I helaas niet kan worden genezen, bestaan er wel goede behandelingsmogelijkheden. Afhankelijk van het type MPS I (Hurler/Scheie/Hurler-Scheie) zijn op dit moment de volgende behandelingen mogelijk :

  • Behandeling dmv enzym vervangingstherapie – het syndroom van Scheie
    Een mogelijke behandeling voor kinderen met MPS type I – het syndroom van Scheie - is enzym vervangingstherapie. Deze behandeling is sinds 2003 beschikbaar, waarbij het ontbrekende enzym wekelijks aan het kind in de bloedbaan wordt toegediend. Echter, aangezien het enzym de hersenen niet kan bereiken is deze vorm van behandeling alleen geschikt voor kinderen met een milde vorm van de ziekte – het syndroom van Scheie. In deze kinderen zijn goede resultaten na enzym vervangingstherapie gerapporteerd. Daarnaast wordt deze behandeling soms ingezet bij kinderen met het syndroom van Hurler voorafgaande aan de transplantatie om de risico’s van de transplantatie te verminderen.
  • Behandeling dmv een stamceltransplantatie – het syndroom van Hurler
    Aangezien enzym vervangingstherapie niet effectief is in de hersenen is een stamceltransplantatie op dit moment de enige vorm van behandeling die het voortschrijden van de ziekte bij kinderen met de meest ernstige vorm - het syndroom van Hurler - kan doen stoppen. Een stamceltransplantatie vervangt de eigen bloedvoorloper-cellen van het kind door gezonde bloedvoorloper-cellen van de donor. Deze bloedvoorloper-cellen van de donor maken bloedplaatjes, rode- en witte bloedcellen in het lichaam van de patiënt. Met name de witte bloedcellen van de donor produceren het enzym (alfa-L-iduronidase) dat het kind voor de transplantatie zelf niet kon produceren. Dit enzym wordt vervolgens afgegeven aan de andere cellen, zodat de opgestapelde afvalstoffen kunnen worden afgebroken en de functie van het lysosoom kan worden hersteld.
    Sinds de eerste transplantatie meer dan 25 jaar geleden, zijn er wereldwijd meer dan 500 transplantaties uitgevoerd bij kinderen met het syndroom van Hurler. Een geslaagde transplantatie leidt bij een meerderheid van deze kinderen tot zeer goede resultaten, met een sterke toename van de levensverwachting en een aanzienlijk verhoogde kwaliteit van leven tot gevolg. Helaas kunnen niet altijd alle lichamelijke problemen door een transplantatie worden voorkomen en sommige verschijnselen lijken onomkeerbaar. Over het algemeen geldt; hoe minder verschijnselen voor de transplantatie aanwezig zijn hoe beter de vooruitzichten na transplantatie zijn. Een stamceltransplantatie dient men daarom vroeg in het leven uit te voeren. Door verbeterde procedures is het uitvoeren van een stamceltransplantatie de laatste jaren steeds veiliger geworden (met overlevingspercentages van boven de 90%) en zijn ook de resultaten na een stamceltransplantatie sterk verbeterd. De verwachting is dat als de ziekte nog vroeger in het leven wordt herkend en er dus nog eerder kan worden getransplanteerd de procedure nog veiliger zal worden. Sinds kort maakt men in Europa in bepaalde gevallen gebruik van navelstrengbloed als donorbron. Navelstrengbloed is snel beschikbaar waardoor vaak eerder kan worden getransplanteerd en hiermee het voortschrijden van de ziekte nog sneller kan worden gestopt.
    Door al deze verbeteringen zijn de vooruitzichten van de kinderen met het syndroom van Hurler die een transplantatie ondergaan de laatste jaren dan ook sterk verbeterd. Op dit moment loopt een groot internationaal onderzoek (gecoördineerd door UMCU, Utrecht, Nederland) dat de uitkomst van kinderen met Hurler na een stamceltransplantatie onderzoekt. Hieraan werken alle grote centra in Europa en de Verenigde Staten mee.


Dr. M. Haldenhoven, Dr. T. de Koning, Dr.  JJ Boelens (Utrecht), 2008-12-06.

 

 
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB
spacer.png, 0 kB